
Leonardo Garet en los Países Bajos
|
Beschrijving
van Leonardo Garet Door Jorge Menoni Mensen gaan en komen, landschappen veranderen, ook geschiedenis ontkomt niet aan de tijd, maar het wonderlijke van poëzie is dat het blijft, als een onvergankelijk woord dat teer en geheimzinnig aan het diepste en puurste van onze zintuigen ontspruit, als een reusachtige hand waarvan de vingers zich keer op keer openen. Dichtkunst zijn de rivieren, de laagvlakte en de kalme oever, het huis van mijn jeugd, het licht dat dagelijks door het venster breekt. Het zijn de eenvoudigste elementen van de natuur die ons, meer dan naar zinloze roem of de fatale afgang, leiden naar de meest verfijnde holten van de ziel. Dit overkomt ons als wij Leonardo Garet lezen: zijn werk gunt ons een blik op verscholen, bijna heilige plekken. Hij is een dichter van hierboven die naar de aarde kwam met als bagage zijn gedichten. Ingetogen maar onuitputtelijk gaf hij elk gedicht naast esthetische ook steeds weer historische, metafysische en filosofische gelaagdheden. ‘Als een voorbeeld uit de omvangrijke poëtische oeuvre van Leonardo Garet voorkomt dit gedicht: Omschrijving , vertaald naar het Nederlands door de Nederlandse vertalster Mariolein Sabarte Belacortu. Het werd voorgelezen in het Festival Babel 2004 in het Ostade Theater in Amsterdam, tijdens een hommage aan de Uruguayaanse litteratuur.
Jorge Menoni Mariolein
Sabarte Belacortu ------ Jorge Menoni, Salto (1950). Escritor. Reside en Amsterdam desde 1978. Director de la revista cultural Amsterdam Sur. El cementerio universal de los vivos (1991), El cazador de instantes (2001). Ha escrito varios guiones para documentales. Mariolein Sabarte Belacort, (1944) holandesa, traductora literaria de, entre otros, Gabriel García Márquez, Julio Cortázar, Mario Vargas Llosa y Jorge Luis Borges. En 1997 recibe el premio Meulenhoff Vertalelers por su aporte a la traducción de autores latinoamericanos.
|
|
Het huis van gisteren Nadat ik erin was geslaagd de weerstand te overwinnen die opkwam bij elke pas die ik dichterbij kwam, stond ik na twintig jaar voor het huis dat in mijn herinnering altijd beladen was geweest met dingen die schijnbaar slechts binnen deze muren mogelijk waren geweest. De stoelen met de katten was nog het lichtste; daarnaast het knipwerk met de gezichten die een collage vormen met lichamen van andere mensen en met wat niet had moeten gebeuren en wat, juist daarom, in steen was veranderd. Ik was voor de deur blijven staan. De sleutel glom van al die tijd dat ik hem in mijn hand had gehouden. Toen ik duwde klonk er een geknars alsof ik op een kat trapte. Er streek een lucht van vleermuizen langs me heen die me dwong een stap opzij te zetten. Ik wilde naar binnen gaan alsof ik vastbesloten was. Het licht had moeite een plaats te verlichten die zo lang donker was geweest. Ik slaagde erin een paar stappen te doen, maar ik raakte steeds heftiger, steeds vinniger verstrikt in een aantal draden, en toen ik het raam open kreeg, openbaarde zich wel de vorm, maar niet de verklaring ervan. Er bevond zich een soort kluwen van draden die uit elkaar was gespat en alle kanten op rolde. Met een verloren blik merkte ik op dat een draad het woord “Marlene” vormde. En zo stond ik daar terwijl ik verstrooid wilde terughalen of dat woord me iets zei, totdat ik - zodra ik me een meisje in een deur herinnerde, zonder me bewust te zijn van de bedoeling daarvan - al een andere draad volgde die ook een woord vormde. “Park” stond er. Toen voelden mijn ogen zich overweldigd door de hoeveelheid letters die ze ontdekten als initialen die erom vroegen aandacht te krijgen zodat hun missie volbracht kon worden. De woorden waren verweven als gras dat een nest vormt en ze kwamen tot aan de hoogste hoeken. Ze waren bewegingloos: “hagedis” onder “school”, “lagune” helde over naar de grond. Ze ondersteunden elkaar en het was niet prettig om naar ze te kijken. “Kampioenschap” doorkruiste “zonnesteek” en “molen”. Het was “ongens” dat me deed denken dat er ook ravijnen bestonden omdat de “j” het verwrongen stukje geweest zal zijn dat op de grond lag. Voorbij die doorgang, tussen de deur en het raam, was het onmogelijk je naar de kanten te verplaatsen. Hier ben ik dan, na zoveel jaren, dacht ik. De punten van de letters prikten en krasten in mijn armen, borst en benen. Ik sloot mijn ogen en vertrok achterwaarts. Ik herinner me niet of ik de deur dicht heb gedaan.
----------
|